Wen er maar aan

Poes was een cadeautje van iemand die er nodig vanaf moest. Waarom, dat begreep ik later pas: ze nieste chronisch en met consumptie. En wel zo hardnekkig, dat de dierenarts zich genoodzaakt zag er duidelijk over te zijn: ‘Wen er maar aan.’  Behalve dat ze chronisch nieste, had ze ook chronisch behoefte aan verkering. Met mensen. In de lonkfase van elk nieuw contact legde ze een hardnekkige voorkeur voor voetjevrijen aan de dag. Iets wat niet door iedereen begrepen werd.

Vreemd. Nu ik erop terugkijk, kan ik precies zeggen wanneer het is begonnen. Dat was niet die avond, waarop ze afwezig naar de viooltjes staarde, toen ik haar naam riep. En het was ook niet die keer, dat ze een geurige verrassing op de deurmat neervlijde, precies op de plek waar ze eerder muizen offerde. Nee, het eerste serieuze teken van haar verval, had ze al gegeven op een winderige herfstdag, toen ze plotseling hulpeloos aan een tuinstoel bungelde. Niet meer in staat haar achterpootje, dat tussen de spijlen bekneld was geraakt, zelf los te trekken. Die middag al, had ik het kunnen weten. En toch dacht ik alleen maar: ‘Onhandige poes toch.’

Maar dat is allemaal achteraf. En nu is het nu, zeven uur in de morgen. Daar ligt ze dan. In de hoek van de kattenbak, het zwarte kopje vreemd gebogen. Arme poes. Voorbije poes. Was ik vannacht maar opgebleven. Was ik maar, had ik maar. Kom op, je moet zo naar het werk. Jaja, ik weet het. Dit is weer zo’n ‘wen er maar aan.’

Deze column is gepubliceerd in Dagblad de Limburger en het Limburgs Dagblad op 13 februari 2015.

12 gedachten over “Wen er maar aan”

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.